Hoe oud is de taalkunde?

Over de geschiedenis van de taalkunde

Over de auteur

Els Elffers (1946) werkte tot 2007 als universitair docent aan het Instituut voor Nederlandse Taal en Cultuur van de Universiteit […]
Lees verder

Tegenwoordig kun je op allerlei manieren veel te weten komen over taal, zowel over taal in het algemeen als over specifieke talen. Je zoekt bijvoorbeeld een vreemd woord op in een woordenboek en leest daar hoe je het uitspreekt en welke betekenis(sen) het heeft. Of je bekijkt een televisieprogramma over de verwerking van taal in de hersenen. De kennis die je dan tot je neemt wordt door taalwetenschappers ontwikkeld, aan universiteiten of speciale onderzoeksinstituten. Was dat vroeger ook al zo?

Door Els Elffers.

Vaak wordt aangenomen dat de taalkunde pas rond 1800 is ontstaan en dat het dus een relatief jonge wetenschap is. Toch hadden mensen al veel en veel eerder belangstelling voor taal. Ze waren bijvoorbeeld geïnteresseerd in verschillen tussen talen en in taal als algemeen menselijk verschijnsel. Woordenboeken en grammatica’s – boeken waarin de regels van de taal worden beschreven – verschenen al ver vóór 1800. Wat wel waar is, is dat de taalwetenschap rond 1800 een echte empirische en systematische wetenschap werd, die meer behelsde dan taalfilosofie en kwesties rond ‘correct’ taalgebruik. Pas in de negentiende eeuw werd de taalwetenschap ook een volwaardige universitaire studie, die uiteraard wel voortbouwde op oudere inzichten.

Terug naar Plato en Aristoteles

De basis voor de tegenwoordige taalwetenschap ligt, net als bij veel andere wetenschappen, in de klassieke oudheid. Plato en Aristoteles dachten in de vierde eeuw voor Christus al grondig na over de (nog steeds actuele) vraag of taal gezien moet worden als een natuurverschijnsel of als resultaat van menselijke afspraken. Het inzicht dat er verschillende soorten woorden zijn is al net zo oud. Aristoteles onderscheidde drie woordsoorten: naamwoorden, werkwoorden en verbindingswoorden (zoals maar,
en, omdat). In de eerste eeuw voor Christus was de indeling van Aristoteles al uitgegroeid tot ongeveer de reeks woordsoorten zoals wij die nu kennen, inclusief voornaamwoorden, voorzetsels en bijwoorden. En dat terwijl het vakgebied ‘taalwetenschap’ toen nog niet eens bestond. Veel van wat nu taalwetenschap heet, viel toen onder de filosofie, of hoorde bij een praktisch vak zoals schrijfvaardigheid (grammatica betekent oorspronkelijk ‘schrijfkunde’).

Ook buiten Europa ontwikkelden zich vroege taalwetenschappelijke tradities: er was een Indiase, een Chinese en een Arabische traditie. Van deze drie is de Indiase de bekendste. De Sanskrietgrammatica van Panini (rond 500 v.Chr.) wordt nog steeds bewonderd vanwege zijn gedetailleerdheid en exacte beschrijvingsmethode. Panini bedacht een verzameling regels waarmee alle correcte zinnen van het Sanskriet konden worden beschreven. Met deze ‘wiskundige’ aanpak liep hij vooruit op Chomsky’s generatieve grammatica, die dateert van rond 1960!

Ontwikkelingen tot 1800

Na de klassieke oudheid ontwikkelde het taalonderzoek zich verder. Belangrijke grammaticale benaderingen waren de middeleeuwse Grammatica Speculativa en de zeventiende- en achttiende-eeuwse Algemene Grammatica. De schrijvers van deze grammatica’s gaven behalve een beschrijving van taalregels, ook hun filosofische kijk op de grammatica. Volgens hen volgden alle grammatica’s logische principes. De grammatica’s bouwden tevens voort op de Griekse en Latijnse grammatica, die werd opgevat als ‘universeel’: op alle talen toepasbaar. Geleidelijk werden de grammatica’s en woordenboeken, dankzij meer praktijkgericht taalonderzoek, steeds uitvoeriger, beter en gedetailleerder.

De negentiende eeuw: historisch-vergelijkende taalkunde

De taalkunde, die zich vanaf 1800 succesvol profileerde als een volwaardige wetenschap, was vooral gericht op taalvergelijking en taalgeschiedenis. Het doel was de veelheid aan talen systematisch te beschrijven en hun ontwikkeling te verklaren. Men ging daarbij uit van het bestaan van een ‘oertaal’, waaruit via bepaalde ‘klankwetten’ taalfamilies en afzonderlijke talen zich afsplitsten. Het idee van een geheel op Latijnse leest geschoeide Algemene Grammatica verdween definitief naar het rijk der fabelen toen men inzag hoe sterk talen wereldwijd van elkaar verschillen.

De twintigste eeuw en daarna

Aan het eind van de negentiende eeuw werd de taalwetenschap veelzijdiger. Naast de historische benadering ontstond ook veel niet-historisch onderzoek, waarbij nieuwe terreinen tot ontwikkeling kwamen, zoals fonetiek, dialectologie, taalpsychologie. Na 1900 zette deze trend verder door. Belangrijke taalkundige vernieuwers als De Saussure (1857-1913) en Chomsky (1928- ) stelden de taal van het hier en nu centraal; de synchrone taalwetenschap kreeg prioriteit boven de diachrone taalwetenschap. De Saussure zag talen bovendien als zelfstandige systemen, waarvan alle elementen met elkaar samenhangen. Deze benadering, het structuralisme, sijpelde ook door in andere wetenschappen, bijvoorbeeld in de antropologie en de literatuurwetenschap. Chomsky’s benadering, de generatieve grammatica, is sterk gericht op het achterhalen van universele taaleigenschappen, die zouden berusten op het aangeboren taalvermogen van de mens. Ook deze visie is van invloed buiten strikt taalkundig terrein, vooral in de psychologie. Vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw nam de diversiteit in de taalwetenschap steeds verder toe. Nieuwe gebieden kwamen tot ontwikkeling, zoals de sociolinguïstiek, onderzoek naar gebarentaal en computertaalkunde.

Standaardtaal-in-opbouw

De Nederlandse taalkunde ontwikkelde zich in grote lijnen net zoals die in de omringende landen. Ook al dateert het oudst overgebleven Nederlands uit de zesde eeuw, toch verschenen de eerste Nederlandse grammatica’s en woordenboeken pas in de zestiende eeuw. Dit heeft alles te maken met de eeuwenlange prioriteit van het Latijn als eenheidstaal van wetenschap, kerk en ambtenarij. Pas toen de Nederlandse provinciën zich tot één republiek verenigden, ontstond het streven naar een nationale standaardtaal. Daarbij waren grammatica’s en woordenboeken natuurlijk onontbeerlijk.

Eén achttiende-eeuwse Nederlandse taalkundige mag hier niet onvermeld blijven: Lambert ten Kate. Met zijn historisch-taalvergelijkend onderzoek en gerichtheid op wetten zonder uitzonderingen was hij zijn tijd ver vooruit.

Lambert ten Kate (1674-1731) was een Amsterdamse graanhandelaar met vele hobby’s waaronder de taalkunde. Vooruitlopend op de negentiende-eeuwse taalwetenschap formuleerde hij klankwetten. Daarmee liet hij bijvoorbeeld zien dat de zogenaamde ‘ongelykvloeyende’ (onregelmatige) werkwoorden lang niet zo onregelmatig zijn als grammatici geneigd waren te denken. Hij bepaalde dat zo’n taalwet, net als een natuurwet, geen enkele uitzondering mocht kennen. Dat het hem ernst was, blijkt uit de titelpagina van zijn belangrijkste boek. Daarop prijkt een engeltje dat een strook papier doorscheurt, met daarop de tekst Daer is geen regel zonder exceptie. In de officiële taalkunde werd deze eis pas eind negentiende eeuw gemeengoed. Ten Kate spiegelde zich aan het werk van de grote natuurkundige Newton. Hij leerde zelfs Engels – in die tijd in Nederland allerminst vanzelfsprekend – speciaal om diens werk te kunnen lezen.

Lees meer

Een overzicht van de Nederlandse taalkunde biedt Bakker en Dibbets (red.) Geschiedenis van de Nederlandse Taalkunde (Den Bosch, 1977).



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Voor je verder gaat even bewijzen dat je mens bent.

Typ hiernaast de eerste drie letters van het alfabet


sluit