Wat is tussentaal?

Over de auteur

Jürgen Jaspers (1975) is sociolinguïst en sinds 2012 docent Nederlandse taalkunde aan de Université Libre de Bruxelles. Daarvoor was hij […]
Lees verder

Weinig taalgebruikers hebben de laatste jaren zoveel kritiek over zich heen gekregen als de tussentaal sprekende Vlaming. Tussentaal zou tekenend zijn voor ‘gemakzuchtige provincialen!’ die ‘zelfgenoegzaam een gezellig debielentaaltje spreken!’. Dergelijke negatieve uitlatingen lijken de populariteit van tussentaal weinig of niet te deren. Maar wat is die tussentaal eigenlijk? Waarom wordt ze zo verguisd?

Door Jürgen Jaspers.

Copyright ZAK

Copyright ZAK

Tussentaal is op het eerste gezicht niet zo moeilijk te definiëren: het is een gemengd soort Nederlands. Om precies te zijn, de typisch Vlaamse spreektaal waarin dialectische met standaardtalige kenmerken vermengd worden.

Maar zodra je tussentaal iets nauwkeuriger bekijkt, merk je dat de zaken toch complexer liggen. Want in principe ligt niet vast welke kenmerken standaardtalig of dialectisch zijn.

De uitspraak van tussentaal is dus niet per se standaardtalig of de grammatica per se dialectisch. Wel zijn een aantal tendensen op te merken: tussentaalsprekers vermijden gewoonlijk zware dialectklanken en -woorden, ze laten eindklanken weg in woorden als wat, dat of niet (en zeggen wa, da en nie), ze gebruiken gij-u-uw eerder dan je-jou-jouw (Is da van u? i.p.v. Is dat van jou?), en ze verbuigen lidwoorden, voornaamwoorden en adjectieven (nen, diën en dikken boek i.p.v. een, dat en dik boek). Maar even typisch gebruiken tussentaalsprekers standaardtalige woorden in een verder vrij dialectische zin (rijdegij met dië vrachtwagen?), of ze spreken standaardtalige woorden op een dialectische manier uit (met minder ‘zuivere’ klanken). Sommige tussentaalsprekers gebruiken bovendien meer, en andere minder van de hierboven vermelde fenomenen, of ze laten geen eindklanken weg maar spreken wel met gij-u-uw.

Ondanks een aantal vaste ingrediënten (dialect, standaardtaal) is de exacte vorm van tussentaal dus niet in steen gebeiteld. Wat het nog lastiger maakt is dat Vlamingen er niet altijd voor kiezen om tussentaal te spreken wanneer ze dat in de ogen van andere mensen wél doen. Dat komt omdat de grens waar tussentaal eindigt, en dialect of standaardtaal begint, niet glashelder te trekken is: weglatingen als in wa en nie zijn voor sommigen een teken van ‘informele standaardtaal’, terwijl ze voor anderen naar dialect of mislukte standaardtaal neigen.

Het woord ‘tussentaal’ zet ons dus op het verkeerde been: het gaat eigenlijk niet om een af te lijnen, aparte taal met een set noodzakelijke kenmerken, maar om een talige cocktail waarvan de precieze samenstelling niet zo makkelijk te voorspellen is. Afhankelijk van de context, de taalvaardigheid van de spreker en diens intentie, kan je het uiteindelijke drankje proeven als een standaardtaal of dialect light, of als een poging om standaardtalig of dialectisch te spreken door wie dat eigenlijk niet gewend is en dus ergens halverwege strandt.

Dit soort mengvormen van standaardtaal en dialect zijn overigens niet uniek voor Vlaanderen. Overal waar talen in contact zijn, komen mengtalen voor. Zo kent het Nederlands regiolecten waarin de standaardtaal gebruikt wordt met behoud van regionale dialectkenmerken. Dat mengtalen voorkomen is dus niet bijzonder, wel hoe men er tegenaan kijkt. En dat is in Nederland toch enigszins anders dan in Vlaanderen.

Een barbara lingua

Vlaamse tussentaal geniet namelijk een slechte reputatie. De laatste decennia is tussentaal beschimpt door tal van Vlaamse schrijvers, journalisten, radio- en tv-presentatoren, politici, leerkrachten, professoren (waaronder heel wat taalkundigen), én vaak ook door het brede publiek. Tussentaal zou een teken van ‘luiheid’ zijn, als het geen ‘ronduit bespottelijk patois’ is voor wie ‘boers is in kledij en omgangsvormen’. Uit schoolboeken steken Vlaamse leerlingen letterlijk op dat tussentaal ‘bedorven, morsig en slecht Nederlands’ is, omdat het de beschaving van de standaardtaal mist én de authenticiteit van de dialecten mankeert. Door de jaren heen is tussentaal dan ook aangeduid met een reeks weinig fraaie namen als Verkavelingsvlaams, Soapvlaams, lui Vlaams, sloddertaal, hamburgertaal, ontaal, koetervlaams, nepdialect enzovoort. Tussentaal wordt, kortom, weggehoond en verguisd als een barbara lingua, een bastaardtaal.

Desondanks wordt tussentaal er alleen maar populairder op. Het is de dagelijkse spreektaal van honderdduizenden Vlamingen. Zoals veel Nederlanders merken, is het de taal die je hoort in Vlaamse fictieseries en ontspanningsprogramma’s op de televisie, in leslokalen, vergaderzalen, op internetfora en meer en meer ook gewoon thuis, aan de keukentafel, waar steeds minder dialect te horen is. Vlamingen zijn gek op de taal they love to hate.

Om te begrijpen hoe zo’n, toegegeven, verknipte situatie is ontstaan, moeten we rekening houden met wat tussentaal niet is, met de droom die men had over het taalgebruik in Vlaanderen.

Tien voor taalzuivering

Na de onafhankelijkheid van België in 1830 stonden de Vlamingen voor een keuze. Als ze niet op het Frans wilden overschakelen, welke standaardtaal zouden ze dan gebruiken: het Nederlands uit Nederland, of een eigen, nog te ontwikkelen, Standaardvlaams? Ondanks de verschillen tussen hun taalgebruik en dat van hun noorderburen, en na pittige discussies, gingen de Vlamingen voor de eerste optie: het Nederlands. Handig was immers dat het Standaardnederlands al beschikbaar was. Men vond die taal ook erg beschaafd en zuiver: een waardige tegenvoeter voor het prestigieuze Frans. Bovendien droomden velen er stiekem van dat door het overnemen van dat Nederlands, op een talige manier weer zou verenigd worden wat de Belgische revolutie had doen uiteenvallen: het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.

Om die droom te realiseren moesten Vlamingen de geïmporteerde standaardtaal spreken. Zo zouden ze zich niet meer inferieur hoeven te voelen omdat ze ‘slechts’ Vlaams spraken, dat de toenmalige elite als een onbeschaafd ratjetoe beschouwde van dialect, vertaald Frans en allerlei ‘bastaardwoorden’. Concreet hield dit in dat Vlamingen hun taalgebruik dienden op te poetsen tot het zou glanzen van beschaving. Daartoe werden ze dan ook flink aangemoedigd via allerlei vormen van propaganda. Zeker na de Tweede Wereldoorlog werden Vlamingen dagelijks gewezen op al wat in hun taalgebruik onzuiver, gebrekkig of vulgair was via televisie en radio, op school, in kranten en tijdschriften en in tal van verenigingen.

Omdat het gros van de inspanningen gericht was op het uitbannen van leenvertalingen uit het Frans (‘zeg niet camionneur, maar vrachtrijder!’), kwam die taalzuivering er eigenlijk op neer dat men België uit het taalgebruik van de Vlaming probeerde te wissen. De Vlaming moest een Nederlander zijn! (In sommige taalprogramma’s had men het dan ook over Vlaanderen als ‘Zuid-Nederland’.) Tussentaal gooit in dit opzicht natuurlijk een stok in de wielen. De drastische zuiveringsdrang bracht ook andere effecten teweeg.

Neveneffecten

De taalpropaganda zorgde er namelijk voor dat dialect en standaardtaal stelselmatig geassocieerd raakten met een reeks contrasterende eigenschappen. Standaardtaal stond voor beschaving, verfijning, intelligentie en hoge status, terwijl dialect meestal als onverzorgd werd beschouwd, iets dat je best niet gebruikte als je hogerop wilde. Maar door het aanhoudende, betweterige karakter van die propaganda begonnen Vlamingen op den duur standaardtaal te verbinden met de fanatieke, op alle slakken zout leggende en vaak aanmatigende taaladviseurs. En van de weeromstuit kregen ze sympathie voor de knullige underdog die nog echt dialect sprak – zelf deden ze dat immers steeds minder, want ze geloofden wel dat dialect niet echt chic stond; maar moest daar echt zo fanatiek op gevit worden?

Komt daarbij dat het taaladvies niet altijd goed te volgen was. Vlamingen leerden dat Franse woorden taboe waren, maar voor douche of punaise werd hen ten strengste afgeraden om stortbad en duimspijker te gebruiken. Je zou voor minder twijfelen aan wat wel of niet correct is.

Veel Vlamingen die hun best doen om ‘beschaafd’ te spreken, komen daarom uit bij een tussentaal waarin allerlei purismen, schrijftaalwoorden of archaïsche (doch i.p.v. maar) vormen voorkomen. Veel andere Vlamingen willen wel een inspanning doen om dialect te vermijden, maar enkel van boven opgelegde taaladviezen opvolgen, dat zien ze ook niet zitten. En dus spreken ze tussentaal, niet echt dialectisch (‘onverzorgd’), maar ook niet echt standaardtalig (‘aanmatigend’). Lekker handig, en dat verklaart wellicht waarom Vlamingen er zo massaal en met toenemende flair hun toevlucht toe zoeken.

Zonder fanatieke taalpropaganda was tussentaal allicht minder succesvol geweest. Misschien hebben de critici wel gelijk dat tussentaal een inglorious bastard is die het gearrangeerde droomhuwelijk tussen de Vlaming en zijn importbruid, het Standaardnederlands, komt vergallen. Maar bastaards zijn vaak boeiender dan wie zuiver in de leer is gebleven.

Lees meer

Samen met Kevin Absillis en Sarah Van Hoof redigeerde Jürgen Jaspers het in 2012 verschenen boek De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams (ISBN 9789038220055). Bij het boek hoort ook een blog.


Reacties

5 reacties op ‘Wat is tussentaal?’

  • Bart Haers op 16 mei 2014 om 11:57 Beantwoorden

    Ik denk dat dit een passende benadering zou zijn, als men ook het tweede hoofdstuk in beeld zou brengen: onder druk van sociologen, die Boudieu een hele piet vonden, werd ook bedacht dat wie dus beschaafd sprak, verzorgd en zo meer er mee toe bijdroeg dat de “armen” de standaardtaal niet zou kunnen verwerven. Het gevolg was dat zo tussen 1980 en 1988 studenten letteren aan de universiteit van Gent, vonden dat ze vooral ook slordig dienden te spreken. Iemand als Brusselmans heeft dat, meer dan Tom Lanoye tot een eigen merk gemaakt, maar het gevolg was dat jongeren nu op school niet altijd de kans krijgen een goed taalgevoel te ontvangen. Want men spreekt inderdaad tussentaal omdat men zich niet thuis voelt in de officiële, de cultuurtaaL Wonende in Brugge, de stad van Guido Gezelle, die gekozen had voor taalparticularisme, valt dit nog meer op, terwijl het Gent op de scholen nog altijd kan aangedragen worden. En tot slot, in soaps als Famiie en Thuis is precies voor tussentaal gekozen, om zo dicht mogelijk bij de realiteit te blijven. En misschien zijn ze wel progressief als het om sex gaat, het is zeker ook behoudend-progressief door iedereen, behalve herkenbare leden van de bourgeoisie dialect en tussentaal te laten spreken.

  • Jürgen Jaspers op 20 mei 2014 om 11:04 Beantwoorden

    Ik ken eigenlijk geen sociologen die ooit zeiden dat wie zogezegd “beschaafd” sprak ervoor zorgde dat armen de standaardtaal niet zouden kunnen verwerven. Bourdieu heeft er wel op gewezen dat wat gewoonlijk “standaardtaal” wordt genoemd door wie die variëteit spreekt en schrijft als een belangrijk distinctief bezit wordt gekoesterd (lees: niet graag met iedereen wordt gedeeld), omdat het onderscheidende effect ervan dan verdwijnt). Als iederéén met een Mercedes rijdt is de lol eraf voor wie zo’n auto een statussymbool was. Vaak zoeken mensen dan naar nieuwe vormen van onderscheiding, en dat is wat taal betreft ook het geval. Bourdieu’s inzicht heeft dus geen betrekking op wie wel of niet in staat is om standaardtaal te spreken. Vonden Brusselmans en anderen overigens dat ze ‘slordig’ dienden te spreken? Uit opnames uit de jaren 80 valt altijd op hoezeer ook schrijvers als Brusselmans en Lanoye getekend waren door het toenmalige tijdsvak, en – in uw ogen – veel ‘netter’ spraken dan vandaag.

  • Wilfried Vanleer op 16 juni 2014 om 15:15 Beantwoorden

    De voornaamste reden waarom Vlamingen geen Standaardnederlands spreken, is omdat dit ‘bekakt’ over komt. En wie wil er nu een bekakte indruk maken?

  • Joost Dierickx op 10 april 2016 om 17:17 Beantwoorden

    Waar vind ik voorbeelden van de propaganda in kranten en tijdschriften?

    • Jürgen Jaspers op 10 mei 2016 om 15:26 Beantwoorden

      Een aantal voorbeelden vind je letterlijk terug in het artikel ‘Hyperstandaardisering’ van Sarah Van Hoof & Jürgen Jaspers (verschenen in ‘Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde’, en daar makkelijk te downloaden – als dat niet lukt is het ook te vinden op de ‘academia.edu’-pagina’s van beide auteurs), en in het boek ‘Feiten en fictie’ van Sarah Van Hoof (2015, Academia Press). Veel meer voorbeelden vind je natuurlijk terug in de archieven van tijdschriften als ‘Bouw’ of een krant als De Standaard (de zogenaamde ‘Taaltips’).


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Voor je verder gaat even bewijzen dat je mens bent.

Typ hiernaast de eerste drie letters van het alfabet


sluit