Waarom drukt taal nooit precies uit wat je bedoelt?

Over pragmatiek

Over de auteur

Arie Verhagen (1951) is hoogleraar Nederlandse Taalkunde aan de Universiteit Leiden. Hij geeft onderwijs in en doet onderzoek op het […]
Lees verder

Miscommunicatie tussen mensen kan soms tot komische situaties leiden. Op andere momenten is miscommunicatie minder grappig. Maar hoe komt het nu dat er vaak zo’n kloof gaapt tussen wat iemand letterlijk zegt, en hoe dat bedoeld of begrepen wordt? Dit is het terrein van de pragmatiek.

Door Arie Verhagen.

Copyright Frank Landsbergen: www.franklandsbergen.nl

In het plaatje hierboven herhaalt mevrouw de vraag van meneer Wanneer wij het weer eens doen? Iedereen snapt wat meneer met wij bedoelt: ‘jij en ik samen’. Maar het antwoord van mevrouw doet ons beseffen dat het woordje wij eigenlijk alleen maar uitdrukt ‘ik en nog iemand anders’. En dat meneer strikt genomen alleen maar een vraag om informatie stelt – informatie die mevrouw dus verschaft (gevolgd door een ogenschijnlijk geïnteresseerde tegenvraag).

Deze discrepantie tussen wat er letterlijk gezegd wordt aan de ene kant en bedoeld en begrepen aan de andere kant doet je hier in de lach schieten. Als mensen iets zeggen, hebben ze daar in het algemeen een reden voor. Van die wetenschap maken hoorders gebruik. Ze vragen zich (onbewust) af: ‘Waarom zegt de spreker dit, en waarom zo?’ Het antwoord gebruiken ze om zo’n taaluiting te interpreteren. Een voorbeeld. Als we op het punt staan de deur uit te gaan en mijn vrouw zegt: ‘Het regent,’ dan kan ik dat heel goed opvatten als een suggestie om de paraplu te pakken. Sterker nog, mijn vrouw kan voorzien hebben dat ik het zo zou opvatten en het juist daarom ook zo gezegd hebben; zij bereikt dan haar doel (ik pak de paraplu), én ik zal niet vragen waarom, want dat heeft ze me al verteld!

Hier en nu

Hoorders maken, zeggen taalwetenschappers, altijd inferenties over de bedoelingen van de spreker. Sprekers, op hun beurt, weten dat en zetten hun taaluitingen daarom altijd zo in elkaar dat de kans zo groot mogelijk is dat de toehoorder precies de inferenties maakt die de spreker op het oog heeft. Om inferenties te kunnen maken (als hoorder) en te kunnen oproepen (als spreker), is er wel extra informatie nodig bovenop de betekenis van de woorden en de zinnen als zodanig. Wat voor informatie is dat, en hoe verloopt het inferentieproces?

Om met enige kans op succes de juiste inferenties te kunnen oproepen en te kunnen maken, is er wederzijds gedeelde kennis nodig. Het eenvoudigste voorbeeld is dat deelnemers aan een gesprek weten dát ze een gesprek aan het voeren zijn en bovendien van elkaar weten dat ze dat weten. Dat laatste maakt hun kennis ‘wederzijds gedeeld’ en precies dat maakt het mogelijk om woorden zoals hier en nu, daar en gisteren te gebruiken. Deze woorden duiden van zichzelf helemaal geen specifieke tijd of plaats aan, maar in combinatie met de wederzijds gedeelde kennis van de gesprekssituatie lukt het telkens toch om ze naar specifieke tijden en plaatsen te laten verwijzen die de toehoorder zo begrijpt als de spreker ze ook bedoelt.

Coöperatie in plaats van manipulatie

De wederzijds gedeelde kennis kun je je voorstellen als een reeks concentrische cirkels. De gesprekssituatie vormt de binnenste cirkel. Een volgende cirkel bevat de gedeelde persoonlijke geschiedenissen van de gespreksdeelnemers. Dit is bijvoorbeeld de basis voor het gebruik van eigennamen: er zijn veel mensen met de naam Ineke, maar toch weet ik precies welk uniek individu mijn vrouw daarmee bedoelt op basis van onze gedeelde kennis over onze vriendenkring. Nog ruimere cirkels worden gevormd door culturele groepen, bijvoorbeeld die van alle Nederlanders. Doordat zij allerlei kennis met elkaar delen als landgenoten, kunnen ze in het algemeen zonder problemen direct een gesprek beginnen over de Elfstedentocht, de koningin, en talloze andere zaken die we aanduiden met algemene naamwoorden.

Op wederzijds gedeelde kennis wordt in taalgebruik dus voortdurend een beroep gedaan. Dat geeft aan dat menselijke communicatie fundamenteel een coöperatief karakter heeft: we willen er samen uitkomen. Dat is heel iets anders dan het manipulatieve karakter van de meeste communicatie in het dierenrijk: dieren willen vooral de ander iets laten doen. De taalfilosoof Herbert Paul Grice formuleerde in 1975 als hoogste principe van taalgebruik dan ook het coöperatieprincipe. Hij deed dat in een artikel dat nu algemeen erkend wordt als het startpunt van de taalkundige pragmatiek. Hij bedoelde daarmee niet zozeer dat coöperatie, samenwerking dus, een soort ideaal is dat taalgebruikers zouden moeten nastreven, maar dat het een intrinsieke eigenschap is van menselijke communicatie. Net zoals wanneer mensen samen op groot wild jagen: het succes van de ene jager is afhankelijk van dat van de andere en andersom.

Grice liet zien dat de aanname van coöperatie verklaart hoe mensen van alles kunnen communiceren zonder het met zoveel woorden te zeggen. Zelfs, of juist, wanneer zij iets zeggen dat op het eerste gezicht niet coöperatief lijkt. Stel bijvoorbeeld dat iemand op een verzoek om informatie over een sollicitant alleen maar reageert met: ‘Jan is heel aardig.’ Dan lijkt dat in eerste instantie niet coöperatief, want het geeft geen enkele informatie over relevante kwalificaties voor de functie. Maar onder de aanname dat het coöperatieprincipe geldt, kan de ontvanger van de boodschap toch een aantal heel nuttige inferenties maken. Zo kan hij bijvoorbeeld uit het antwoord afleiden dat de spreker Jan liever niet wil afvallen, maar dat hij ook niet in staat is om echt iets positiefs over Jan te vertellen omdat kennelijk een basis voor zulke positieve berichten ontbreekt. Oftewel: Jan is volgens de spreker niet optimaal gekwalificeerd, maar dat wil hij niet met zoveel woorden zeggen. Omdat ook voor de spreker het coöperatieprincipe geldt, kan hij ervan uitgaan dat de hoorder deze inferenties kan maken. Hij weet dus dat er een goede kans is dat zijn bedoelingen overkomen zonder dat hij alles expliciet hoeft te maken.

Taalevolutie

De verhouding tussen letterlijke betekenissen en inferenties ligt niet vast, integendeel. Het woordje terwijl, bijvoorbeeld, verwees oorspronkelijk alleen naar gelijktijdigheid. Maar de reden om die te vermelden was vaak dat de spreker er iets verrassends of onverwachts aan vond, en hoorders maakten die inferentie ook. Toen terwijl eenmaal vaak genoeg zo gebruikt was, kon het ook gebruikt worden voor een opmerkelijk contrast waarbij gelijktijdigheid niet zo belangrijk was. En nu kun je in de krant een kop tegenkomen als Citizen Kane vertoond in Hearst Castle, terwijl Hearst zo’n hekel aan de film had – en dat terwijl (!) Hearst al lang overleden is. Dit heet conventionalisering: een inferentie bij terwijl wordt zo gewoon dat taalgebruikers die beginnen te verwachten. Als die verwachting eenmaal bestaat, is de interpretatie conventioneel geworden. Het woord heeft nu een nieuwe conventionele betekenis: er is geen aparte inferentiestap meer nodig, en de oorspronkelijke relatie tussen contrast en gelijktijdigheid is verbroken.

Omdat de meeste relaties tussen vorm en betekenis conventioneel en ondoorzichtig zijn, moet een kind dat de taal leert, ook eerst doorkrijgen wat zijn ouders bedoelen met hun gedrag voor het een verband kan leggen tussen die bedoelingen en de klanken die zij daarbij maken: ‘Oh, bah, dat betekent dat ik het niet moet opeten?’ Er is immers geen natuurlijke relatie tussen woorden en hun betekenis. Ook in de evolutie van onze soort moest er eerst coöperatieve communicatie ontstaan voordat de ontwikkeling van ‘conventionele taal’ kon beginnen. Dit inzicht levert tevens een stukje van het antwoord op de vraag waarom talen zo van elkaar verschillen: voor een conventie is het niet van principieel belang welke afspraken of regels er precies zijn gemaakt (denk aan links of rechts houden in het verkeer) – als iedereen maar hetzelfde doet! Dat geldt precies zo voor conventioneel taalgebruik: het is niet van principieel belang welke vormen voor welke betekenissen worden gebruikt, als iedereen maar (ongeveer) dezelfde vormen voor (ongeveer) dezelfde betekenissen gebruikt. De principes van coöperatieve communicatie, het terrein van de pragmatiek, zijn in alle menselijke gemeenschappen dezelfde. De conventies die verbale communicatie zoveel efficiënter en effectiever maken – de talen zelf dus – verschillen heel veel meer van elkaar.

Lees meer

Een toegankelijk boek voor wie een compleet overzicht wil lezen van pragmatiek is Zou Ik Misschien Toch Nog Eventjes Een Klein Vraagje Mogen Stellen? van Henk Haverkate (2006). Haverkate besteedt ook aandacht aan interculturele verschillen in taalgebruik. Een wat kortere inleiding in de pragmatiek is te vinden in het boek van Steven Pinker De stof van het denken (2009), in het hoofdstuk De spelletjes die mensen spelen.

Lees verder op Kennislink:



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Voor je verder gaat even bewijzen dat je mens bent.

Typ hiernaast de eerste drie letters van het alfabet


sluit