Bestaat er een talenknobbel?

Over taal in ons brein

Over de auteurs

David Peeters (1987) is promovendus aan het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek in Nijmegen. Hij studeerde af in cognitieve neurowetenschappen, […]
Lees verder

Flora Vanlangendonck (1987) is promovenda aan het Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour in Nijmegen. Ze studeerde taal- en […]
Lees verder

Roel Willems (1980) is senior onderzoeker aan het Donders Institute for Brain, Cognition and Behaviour van de Radboud Universiteit Nijmegen. […]
Lees verder

Wanneer iemand goed is in het spreken van meerdere talen, wordt wel gezegd dat zo iemand een talenknobbel heeft. Iedereen weet dat dat niet letterlijk bedoeld is: iemand met een talenknobbel herkennen we niet aan een grote bult op zijn hoofd. Toch dacht men vroeger wel degelijk dat mensen een letterlijke talenknobbel konden ontwikkelen. Een goed ontwikkeld taalvermogen zou gepaard gaan met het groeien van het hersengebied dat hiervoor verantwoordelijk was. Dit deel van het brein zou zelfs zo groot kunnen worden dat het van binnenuit tegen de schedel drukte, met name rond de ogen. Nu weten we wel beter. Maar waar in het brein bevindt de taal zich dan wel precies?

Door David Peeters en Flora Vanlangendonck en Roel Willems.

In 1861 ontdekte de Franse chirurg en antropoloog Paul Broca een gebied in de hersenen dat hij de ‘zetel van het vermogen van gearticuleerde taal’
(‘le siège de la faculté du langage articulé’) noemde. Dit gebied kwam hij op het spoor door een van zijn patiënten, die begreep wat tegen hem gezegd werd, maar zelf enkel nog ‘tan’ en ‘sacré nom de Dieu’ zei. Hij is daarom bekend geworden onder de naam Monsieur Tan. Autopsie op deze patiënt leerde Broca dat Tan een laesie (schade) had in het linkerdeel van de frontale cortex, het deel dat zich aan de voorzijde van de hersenen bevindt. De patiënt kon nog wat klanken uitstoten, maar geen begrijpelijke taal meer spreken.

Enige jaren later ontdekte de Duitse arts Carl Wernicke een gebied in de hersenen dat van cruciaal belang zou zijn bij het begrijpen van taal. Wernicke bestudeerde patiënten die niet in staat waren taal van anderen of van zichzelf te begrijpen. Ze waren vaak wel in staat te spreken, maar hun spraak was onbegrijpelijk. Wernicke relateerde deze problemen aan een beschadiging van de woordbeelden die in een bepaald gebied in de temporale cortex van de linkerhersenhelft zouden zijn opgeslagen. De temporale cortex is het deel van de hersenen dat zich deels boven de oren aan de zijkanten van het hoofd bevindt. Volgens Wernicke was dit gebied cruciaal voor het begrijpen van taal.

Deze in de negentiende eeuw ontdekte hersengebieden zijn vernoemd naar hun ontdekkers: het gebied van Broca en het gebied van Wernicke.

Kijkje in de hersenen

Inmiddels is er veel veranderd in het hersenonderzoek. We zijn niet meer afhankelijk van het bestuderen van (overleden) patiënten met taalgerelateerde hersenbeschadigingen, zoals in de tijd van Broca en Wernicke. We kunnen nu zelfs de hersenen van levende, gezonde taalgebruikers onderzoeken. Vandaag de dag zijn er technieken om de hersenen live te bestuderen. Dat wil zeggen dat we kunnen zien wat er gebeurt in de hersenen terwijl ze in actie zijn. Meestal gebeurt dat door deelnemers een taak te laten uitvoeren, bijvoorbeeld door proefpersonen woorden en zinnen te laten horen of zeggen terwijl ze in een mri-scanner liggen. Op die manier kan geanalyseerd worden welke hersengebieden extra actief zijn tijdens het spreken en luisteren.

Een spannende nieuwe ontwikkeling is dat er hersensignalen gemeten worden terwijl de schedel gelicht is. Als patiënten aan hun hersenen geopereerd moeten worden (bijvoorbeeld bij extreme epilepsie, of een hersentumor), maakt de neurochirurg het hoofd open. De hersenen komen dan vrij, en er kunnen metingen direct op de hersenen gedaan worden. De meer gangbare technieken zoals fmri en eeg zijn minder precies, bijvoorbeeld omdat de schedel tussen het hersensignaal en de meting zit. Dit verstoort de meting.

Het openmaken van de schedel is risicovol, en wordt uiteraard nooit gedaan als er geen medische noodzaak voor is. Iemands schedel wordt dus niet gelicht alleen maar om taalonderzoek te doen.

Netwerken

Het gebruik van deze moderne technieken heeft deels bevestigd wat Broca en Wernicke in de negentiende eeuw al opperden: gebieden in de frontaal- en temporaalkwab van de linkerhersenhelft spelen een rol bij het produceren, waarnemen en begrijpen van taal. De indeling in één gebied voor spraak/taalproductie en een ander gebied voor taalbegrip blijkt echter te simplistisch. Sommige deelgebieden in de hersenen lijken bijvoorbeeld meer gespecialiseerd in de betekenis van woorden, terwijl andere juist belangrijk zijn voor het herkennen en produceren van klanken.

En inmiddels weten we dat niet alleen de linker-, maar ook de rechterhersenhelft betrokken is bij taal. Bijvoorbeeld bij het begrijpen van ambigue woorden: woorden die wel hetzelfde klinken, maar afhankelijk van de context een andere betekenis hebben. Denk aan de bank waar je op zit tegenover de bank waar je je geld laat bewaren.

Ook is tegenwoordig bekend dat hersengebieden die betrokken zijn bij taal, ook betrokken zijn bij totaal andere, niet-taalgerelateerde processen. Een hersengebied zoals dat van Broca, maakt deel uit van verschillende netwerken en kan verschillende functies hebben afhankelijk van het netwerk dat actief is. De talige capaciteiten van de mens zitten dus niet bij elkaar in één talenknobbel, maar maken deel uit van een complex systeem van netwerken in het brein, verspreid over de hersenen. Dat betekent overigens niet dat elk gebied overal even goed in is: er is wel degelijk specialisatie, zoals we boven al zagen. Maar deze specialisatie geldt hoogstens voor functies die belangrijk zijn voor taal, niet voor taal per se. Taal komt dus uit de hersenen, maar zit daar niet op één plek.

Het brein van tweetaligen

Maar hoe ziet nu het brein eruit van iemand die meerdere talen spreekt? Om daarover meer te weten worden hersenscans gemaakt van meertaligen: zowel van mensen die van kinds af aan opgroeien met meer talen, als van degenen die op school een tweede taal leren. Uit zulk onderzoek blijkt dat bij meertaligen voor het grootste deel dezelfde gebieden actief zijn wanneer zij hun tweede taal gebruiken als hun moedertaal. Hoe beter je een tweede taal beheerst en hoe vroeger je hem hebt geleerd, hoe groter de mate van overlap tussen de geactiveerde hersengebieden. Omdat meertaligen grotendeels dezelfde hersengebieden gebruiken voor hun moedertaal als voor hun tweede taal, hebben ze goede controlemechanismen nodig om te vermijden dat ze die talen door elkaar halen. In de praktijk lukt dat heel aardig, al is het voor iedereen herkenbaar dat de verschillende talen elkaar soms ‘in de weg kunnen zitten.’

Valse versus echte vrienden

Op woordniveau geldt dat vooral voor zogenaamde ‘valse vrienden’. Dit zijn woorden die in meerdere talen bestaan, maar die in iedere taal een andere betekenis hebben. Zo zijn er de woorden room en rug die niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Engels bestaan. Als je ze tegenkomt in een Engelse tekst, betekenen ze respectievelijk kamer en tapijt. Uit onderzoek is gebleken dat bij het lezen van dit soort woorden zowel de Engelse als de Nederlandse betekenis wordt geactiveerd. Om te beslissen welke betekenis je nodig hebt, moeten je hersenen extra moeite doen. Dit leidt ertoe dat je zulke woorden langzamer verwerkt dan woorden die je maar in een taal kent. Aan de andere kant bestaan er ook ‘echte vrienden’. Dat zijn de woorden die in meerdere talen bestaan en die niet alleen dezelfde vorm hebben, maar ook dezelfde betekenis. Denk aan woorden als taxi, hotel, echo, film en restaurant. Meertaligen blijken zulke woorden sneller te herkennen dan controlewoorden die slechts in een van hun talen bestaan. Hier werkt meertaligheid dus in hun voordeel.

Talenknobbel

Een talenknobbel die je aan de buitenkant van het hoofd kunt zien bestaat niet. Wel zijn er delen van de hersenen gespecialiseerd in taal, maar ze zijn dat vooral in samenspraak met andere gebieden. Wie verschillende talen spreekt gebruikt overlappende delen van de hersenen, en traint onbewust zijn of haar vaardigheid tot cognitieve controle. Veel mensen leren moeiteloos taal spreken en begrijpen, en begrijpen liedjes in een andere taal met gemak. Achter deze vanzelfsprekendheid gaat een zeer complex samenspel van informatiestromen in het brein schuil. Daarvan is al heel wat begrepen, en tegelijkertijd liggen nog veel vragen open. Hoe de natuur onze hersenen heeft behangen met het wonderlijke vermogen tot taal is een oude vraag, met een antwoord in de toekomst.

Lees meer

Voor de fascinerende strijd die met name Broca voerde om het hersengebied zijn naam te geven zie Douwe Draaisma’s boek Ontregelde geesten (2008).


Reacties

3 reacties op ‘Bestaat er een talenknobbel?’

  • A. Brink op 5 december 2012 om 17:14 Beantwoorden

    citaat uit de tekst: Hij werd daarom bekend geworden onder de naam Monsieur Tan.

    Deze zin klopt grammaticaal niet.

    • redactie taalcanon op 6 december 2012 om 10:35 Beantwoorden

      Hartelijk dank voor de opmerkzame blik, de zin is inmiddels gecorrigeerd.
      Met vriendelijke groet,
      Marianne Boogaard

  • sabrabi op 27 november 2013 om 14:25 Beantwoorden

    Ik lees: Zo zijn er de woorden ‘room’ en ‘rug’ die niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Engels bestaan.

    Naar mijn bescheiden mening is een woord iets anders dan een rijtje letters.

    Hg.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Voor je verder gaat even bewijzen dat je mens bent.

Typ hiernaast de eerste drie letters van het alfabet


sluit